zaterdag 31 december 2016

Bonbondozen en rennies. Over de kaartenbakken van het Meertens Instituut en de naamkunde

...aldus Bennis: “Als het Meertens Instituut vroeger genoemd werd in de krant werd er altijd bij gezet ‘van het Bureau’, maar nu kent iedereen ons, bijvoorbeeld via de populaire namenbank.
(Interview met Hans Bennis bij zijn afscheid van het Meertens Instituut)


In het decembernummer van Onze Taal stond naar aanleiding van de verhuizing van het Meertens Instituut naar de binnenstad een interessant artikel over de collecties van het instituut voor onderzoek en documentatie van de Nederlandse taal en cultuur:
Marc van Oostendorp en Douwe Zeldenrust ‘Bonbondozen voor taalliefhebbers’, in: Onze Taal 85 (2016), nr. 12, p. 10-12.
Het was opmerkelijk dat er veel aandacht werd besteed aan naamkundige onderdelen aangezien het Meertens Instituut de naamkunde al enkele jaren geleden heeft afgestoten. Of misschien toch niet zo opmerkelijk, want het instituut afficheert zich nog steeds met voornamen- en familienamenbank.
Men leest ondermeer het volgende: "Sommige onderdelen van onze collectie zijn heel populair. De Nederlandse Familienamenbank bijvoorbeeld, die net als een aantal andere collecties in digitale vorm te vinden is via de website van het instituut: www.meertens.knaw.nl. [...] De website met achternamen is inmiddels overgedragen aan het Nationaal Archief in Den Haag, waar hij beter op zijn plaats is, bijvoorbeeld omdat de gegevens vooral interessant zijn voor mensen die genealogische onderzoek doen naar de herkomst van hun familie en ook gebruik willen maken van historische bronnen. Ook de vele dozen met naamkaartjes zijn daar inmiddels naartoe verhuisd. [...] Zo heeft het instituut een verzameling zogenoemde veldnamen ...”

Hoe verdienstelijk het Meertens Instituut ook uit de verf komt in het artikel over zijn collecties, en hoe ik me ook persoonlijk gevleid kan voelen omdat ik zoveel belangstelling voor mijn werk teruglees, toch heb ik het artikel met gemengde gevoelens gelezen. Men stapt er immers gemakshalve overheen dat zowel de zuivere documentatie als het vakgebied Naamkunde enkele jaren geleden genadeloos weggereorganiseerd zijn. Bovendien betekent de verhuizing die nu plaats heeft gevonden in feite een nieuwe aderlating voor de documentatie van de Nederlandse Taal en Cultuur, omdat de collecties ver verwijderd zijn van de plek waar de onderzoekers zich hebben gevestigd. Die zijn namelijk grotendeels niet meeverhuisd naar de dynamische binnenstad. Zal digitalisering de afstand overbruggen?

We lezen uiteraard ook over de beroemde kaartenbakken van Voskuil. Onder zuivere documentatie wordt de inhoudelijke ontsluiting van literatuur en bronnen verstaan. Dat deden Han Voskuil en zijn staf op zijn afdeling bijzonder grondig uit noodzaak om het vergiftigde beeld van de volkskunde na de oorlog te kunnen nuanceren, accentueren en bijstellen. Het stuk in Onze Taal eindigt ermee dat het ondoenlijk is om Voskuils kaartenbakken te digitaliseren. Maar met de intrede van het digitale tijdperk na hem heeft op het instituut wel degelijk een voortzetting plaatsgevonden met de Volkskundige Trefwoordenbank (VTB). Die staat wetenschap en publiek nog steeds online ter beschikking, al wordt er niet bij vermeld dat met de pensionering van de laatste documentalist van Voskuil de stekker eruit is getrokken en recente literatuur en bronnen er niet meer in ontsloten zijn. Men kan dus nog over heel veel onderwerpen informatie vinden; het documentatiesysteem is echter niet meer up-to-date.

De documentalisten zijn vervangen door informatici. Maar die hebben geen affiniteit met en kennis van de inhoud. Documentalisten, of informatiespecialisten zoals zij nu genoemd worden (geen informatici!), doen normaliter het voorwerk voor de wetenschappers. Een wetenschappelijke organisatie die de lager ingeschaalde documentalisten opdoekt, laat hun gespecialiseerde werk aan de wetenschappers zelf over en maakt het zichzelf op den duur behoorlijk lastig.
In het artikel maken de auteurs zich er vanaf door te concluderen dat men informatie over bijvoorbeeld spoken op de Veluwe net zo goed “via Google of andere bestaande middelen kan vinden”. Het is bijzonder naïef om te veronderstellen dat google een goed documentatiesysteem zou kunnen vervangen. Zoek Zwarte Piet en je vindt hem overal maar toch ook weer niet. Een goed documentatiesysteem specificeert relevantie. Hoe zou je in hemelsnaam op internet de informatie over spoken kunnen vinden die in het systeem van Voskuil ontsloten is als dat systeem niet digitaal beschikbaar is? Hoe weten Van Oostendorp en Zeldenrust dat de waarde ervan te gering is, zoals zij aan het slot van hun artikel schrijven? Dat is toch alleen maar een veronderstelling die de neerbuigendheid ten aanzien van Voskuils werk aan Het Bureau moet voeden! (Het Meertens Instituut schaamt zich immers voor Het Bureau.)

Ronduit hypocriet is het hoe het Meertens Instituut nog met ‘de namenbanken’ te koop loopt. De enige die binnen de gelederen van het instituut naar de populaire voornamenbank omkijkt is de collectiebeheerder. Er is amper nog iemand aan het instituut verbonden met naamkundige kennis en affiniteit. De afdeling Naamkunde is immers opgeheven. Ook de familienamenbank zou er nog slechts als een façade publiek mogen trekken, ware het niet dat ik zelf, als degene die aan de wieg ervan gestaan heeft, het initiatief heb genomen om deze namenbank aan het Centraal Bureau voor Genealogie over te dragen (en niet aan het Nationaal Archief, zoals in het artikel is geschreven). Ik kon het niet verkroppen dat ook daar niets meer aan gedaan zou mogen worden. Voor mij was het ongelooflijk dat de investeringen in de namenbanken met hun enorme publieke aantrekkingskracht om niet moesten zijn.
De familienamenbank is in Den Haag inderdaad goed op zijn plaats, maar hij is natuurlijk niet louter opgezet om genealogen en het brede publiek te plezieren. De familienamenbank zou als fundamenteel documentatiesysteem voor naamkundig onderzoek moeten dienen. Vergelijk de Duitse familienamenatlassen die aan de Universiteit van Mainz worden gemaakt.
Met de opheffing van Naamkunde op het Meertens Instituut is het vakgebied volkomen ontzield geraakt. Als het straks afgelopen is met het handjevol pensionada’s dat zich nu nog in een online Netwerk Naamkunde-'discussiegroep' verbindt, zijn er generaties aan know how en verantwoord naamkundig inzicht verloren. Er zijn geen bezielende bijeenkomsten meer. Er zijn geen deskundige critici meer die hobbyïsten en beunhazen wetenschappelijk tegenwicht kunnen bieden. Als een satelliet op drift zwerft de op het Meertens Instituut gemaakte Naamkunde-website onbeheerd en gedateerd door de internetruimte. Met het verdwijnen van het vakblad Naamkunde is er geen deugdelijk platform meer. Zelf ben ik nog één dag per week aan het Meertens Instituut verbonden. Daar werk ik dan aan het enige zuivere documentatiesysteem dat nog inhoudelijk gecontinueerd wordt, al wordt het niet meer technisch ondersteund en vormgegeven: Namen en Naamkunde in Nederland en elders (NNN). De gebruiker kan daarin vinden wat er over afzonderlijke namen en velerlei naamkundige onderwerpen in bepaalde plaatsen en regio’s is geschreven. Met het “en elders” kan men de relevantste publicaties uit omliggende landen vinden. En tot het inzicht komen dat naamkunde in Nederland ten opzichte van Duitsland een achterlijk vakgebied is geworden. Terwijl wetenschappelijk de naamkunde in Nederland wegkwijnt, wijdt overigens de ‘heemkunde’ zich er nog met grote belangstelling aan en gaat de collectievorming met betrekking tot de toponymie en bijvoorbeeld ook met de bijnamen en de merknamen gestaag voort.
Hoewel de voornamenbank en de familienamenbank nog steeds de website en het jaarverslag van het Meertens Instituut opleuken, is naamkunde er na de reorganisatie van 2011 taboe. Een gotspe is het dan ook om in het artikel in het decembernummer van Onze Taal melding te maken van de veldnamen op het instituut. Het is natuurlijk niet zo dat de regio Holland qua inventarisatie het best gedekt was en dat er minder veldnaamkaarten van andere gebieden zijn omdat het geld op was, zoals verondersteld wordt. Veldnameninventarisatie bij de boeren in andere regio’s werd door regionale instellingen als het Staring Instituut in de Achterhoek en het Nedersaksisch Instituut in Groningen gecoördineerd; het Meertens Instituut speelde daarbij een centrale rol.
De veldnamenkaarten van het Meertens Instituut waren al gedigitaliseerd voordat de reorganisatie plaatsvond, grote belangstelling voor een crowdsourcing project bleek uit de druk bezochte bijeenkomsten hieromtrent, maar de plannen werden vanwege de reorganisatie waarbij Naamkunde de dupe moest zijn van hogerhand afgeblazen. Nu biedt het Meertens Instituut ‘De Kaartenbank’ voor de taal- en cultuurkaarten die er door de jaren heen gemaakt zijn. De veldnaamkaarten zijn er buiten gehouden. Tot voor kort. Op intitiatief van de bibliotheek zijn de veldnaamkaarten er zonder dat er ruchtbaarheid aan gegeven is aan toegevoegd. Eenvoudigweg uit practische overweging om tegemoet te komen aan de vraag naar veldnamen van buitenaf. Dat staat dus nergens, je moet het toevallig maar weten!
Het Meertens Instituut heette ooit het Instituut voor Volkskunde, Dialectologie en Naamkunde. De volkskunde is etnologie geworden, de dialectologie variatielinguïstiek en met naamkunde zit men ondanks de maagzuurremmers nog steeds in zijn maag.
--- Leendert Brouwer
op persoonlijke titel

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen